In Amsterdam is een debat opgelaaid dat veel breder gaat dan één avond voetbal en de onrust die daarop volgde. Het draait om woorden van politici, om de vraag wie je aanspreekt als dader, en vooral om wie je onbedoeld wegzet als groep. In een stad waar tientallen gemeenschappen naast elkaar leven, voelt zo’n discussie nooit abstract.

Burgemeester Femke Halsema heeft in een nieuwe notitie namelijk duidelijk afstand genomen van uitspraken vanuit het kabinet-Schoof, die na de ongeregeldheden rond Ajax – Maccabi Tel Aviv moslims in algemene zin verantwoordelijk hielden. Volgens Halsema is daar geen bewijs voor, en dat maakt die framing volgens haar extra schadelijk.
Wat er op tafel ligt
De kern van Halsema’s boodschap: er waren na de incidenten geen aanwijzingen dat “moslims” als religieuze groep achter de aanvallen op supporters van Maccabi Tel Aviv zaten. Toch werden er vanuit Den Haag stevige conclusies getrokken. En precies dat, zegt zij, zet de gelijkwaardigheid van gelovigen onder druk.
In Het Parool wordt gemeld dat Halsema de uitspraken van toenmalig vicepremier Mona Keijzer en staatssecretaris Jurgen Nobel “discriminatoir of op zijn minst uitsluitend” noemt. Tegelijk staat ook in de berichtgeving dat veel veroordeelden een migratieachtergrond hebben uit islamitische landen.
De nasleep van Ajax–Maccabi Tel Aviv
De gebeurtenissen waar het om draait vonden plaats rond de wedstrijd Ajax–Maccabi Tel Aviv in november 2024. In de nasleep was er groot publiek en politiek debat over geweld, antisemitisme en de vraag hoe je als overheid reageert op spanningen die in korte tijd kunnen oplopen.

Halsema verwijst in haar notitie naar die periode, maar richt zich vooral op de manier waarop conclusies in het publieke domein werden getrokken. Volgens haar was er geen basis om één religieuze gemeenschap collectief verantwoordelijk te stellen, en zulke uitspraken werken stigmatisering in de hand.
Waarom Halsema dit koppelt aan kerk en staat
Opvallend is dat Halsema het niet alleen neerzet als een incident of een communicatiekwestie. Ze koppelt het aan haar bredere visie op de scheiding van kerk en staat. In haar benadering betekent dat niet “religie negeren”, maar juist gelijke bescherming bieden.
Amsterdam moet religieuze gemeenschappen, aldus Halsema, kunnen beschermen tegen uitsluiting en stigmatisering. En dat mag volgens haar óók als er geen sprake is van strafbare feiten. Met andere woorden: het gaat niet alleen om vervolgen en handhaven, maar ook om normeren.
‘Stelling nemen’ zonder strafbaar feit
In de notitie staat expliciet dat het stadsbestuur niet alleen hoeft te reageren als iets juridisch al vaststaat. Halsema kiest daarmee voor een actievere rol van de gemeente in maatschappelijke discussies, zeker als woorden of frames groepen Amsterdammers raken.
Ze schrijft dat het college zich ook kan uitspreken als er “geen titel is voor maatregelen” of wanneer er “geen strafbare gedragingen zijn”. Het is een duidelijke keuze: een gemeente mag, volgens haar, ook moreel positie innemen in het publieke debat.
‘Inclusieve neutraliteit’ als uitgangspunt
Halsema gebruikt voor die lijn de term “inclusieve neutraliteit”. Daarmee bedoelt ze dat de overheid niet neutraal is door religie weg te drukken, maar juist door verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groepen ruimte te geven om zichtbaar en volwaardig mee te doen.
In die visie is neutraliteit dus niet hetzelfde als “kleurloos” of “religieloos”. Het is eerder: de overheid kiest niet voor één geloof, maar zorgt er wel voor dat gelovigen niet worden weggeduwd of neergezet als probleemgroep door generaliserende uitspraken.
Religieuze uitingen bij overheidsfuncties
De notitie zoomt ook in op iets dat regelmatig terugkomt in politieke discussies: religieuze symbolen bij ambtenaren en handhavers. Halsema wil ruimte houden voor bijvoorbeeld een keppel, hoofddoek of andere religieuze bedekking, zolang veiligheid en herkenbaarheid niet in gevaar komen.
Daarmee schuurt Amsterdam met de koers van het kabinet, dat juist werkt aan een verbod op religieuze uitingen bij boa’s. Critici stellen dat zo’n verbod in de praktijk vooral het dragen van hoofddoeken raakt. Halsema kiest hier nadrukkelijk voor meer ruimte.
Maar: religieuze vrijheid is niet onbeperkt
Halsema maakt in dezelfde notitie ook een duidelijke afbakening. Religieuze vrijheid houdt op waar de grondrechten van individuen worden aangetast. In dat geval, schrijft ze, kiest Amsterdam voor het individu. Dat is bedoeld als grens tegen misbruik van religie als vrijbrief.
Als voorbeelden worden onder meer genoemd: het verbieden van homoseksualiteit, pogingen tot “homogenezing”, bedreiging van afvalligen en ernstige beperkingen van de vrijheid van vrouwen. Daarmee zegt de burgemeester: ruimte geven kan, maar niet ten koste van iemands basisrechten.
Het politieke spanningsveld
De discussie raakt aan meerdere gevoelige dossiers tegelijk: antisemitismebestrijding, integratie, openbare orde én polarisatie. Juist bij incidenten die emoties oproepen, is de verleiding groot om snel een groep aan te wijzen. Halsema waarschuwt voor dat mechanisme.
Tegelijk blijft het feit staan dat er daders zijn veroordeeld en dat een deel daarvan een migratieachtergrond heeft uit islamitische landen. Halsema’s punt is echter dat achtergrond of herkomst niet automatisch hetzelfde is als “de islam” of “moslims” als collectief.
Wat dit kan betekenen voor Amsterdam
Als Amsterdam deze lijn doorzet, zal de gemeente zich vaker publiek uitspreken wanneer een religieuze of levensbeschouwelijke groep te makkelijk wordt gestigmatiseerd. Dat kan steun opleveren bij inwoners die zich weggezet voelen, maar ook kritiek bij wie “hardere” taal wil.
Praktisch kan het ook gevolgen hebben voor beleid rond diversiteit bij gemeentefuncties: welke uitingen mogen zichtbaar zijn, hoe bewaak je herkenbaarheid, en hoe zorg je dat regels niet in de praktijk één groep veel harder raken dan een andere. Die discussie lijkt zeker niet voorbij.
En nu: het gesprek in de stad
Wat je ook van Halsema’s notitie vindt, ze zet de toon: minder generalisaties, meer precisie. Zeker na incidenten die de samenleving op scherp zetten, is het makkelijker gezegd dan gedaan. Maar in een stad als Amsterdam is taal al snel beleid.
De komende tijd zal blijken of Den Haag en Amsterdam nog verder uit elkaar groeien in hun aanpak, of dat er toch een gedeeld kader komt: hard op daders, voorzichtig met labels over hele gemeenschappen. Wat vind jij: helpt dit, of maakt het debat juist ingewikkelder?
Laat vooral je mening achter op onze sociale media: hoe kijk jij naar de rol van een burgemeester in dit soort discussies?












