In steeds meer Nederlandse gemeenten duiken plannen op voor nieuwe islamitische scholen. Dat is geen hype van een paar maanden, maar een trend die al jaren opbouwt en nu echt zichtbaar wordt in leerlingenaantallen, nieuwe aanvragen en groeiende netwerken rond onderwijs.
Op papier gaat het om iets vertrouwds: ouders die een school zoeken die past bij hun overtuiging. In de praktijk raakt het aan een grotere vraag waar Nederland al decennia mee worstelt: hoeveel ruimte geef je religieus onderwijs, als diezelfde ruimte óók kan leiden tot afzondering?
Groei die niet meer te negeren is
Begin 2025 zaten er volgens de beschikbare cijfers ongeveer 20.700 leerlingen op een islamitische basisschool. Dat aantal is jarenlang gestaag opgeklommen, maar de laatste periode lijkt de versnelling er echt in te komen.
Tussen 2009 en 2019 steeg het aantal leerlingen met zo’n 60 procent. In de vijf jaar daarna kwam daar nog eens 23 procent bovenop. Met andere woorden: de groei zet niet alleen door, hij wordt structureel.
Meer scholen, meer plekken op de kaart
Die toename zie je niet alleen terug in leerlingaantallen, maar ook in het aantal schoollocaties. In 2026 openen er opnieuw meerdere islamitische basisscholen, onder meer in Arnhem, Gouda en Groningen.
Daarmee komt het totaal aantal islamitische basisscholen boven de honderd uit. Ook het islamitisch voortgezet onderwijs groeit mee. Het aantal middelbare scholen met een islamitisch profiel neemt in hoog tempo toe.
Waarom deze ontwikkeling nu extra discussie oproept
Religieus onderwijs is in Nederland geen uitzondering. Door de vrijheid van onderwijs mogen ouders scholen oprichten op basis van een levensbeschouwing, zolang ze aan de wettelijke eisen voldoen. Dat geldt voor christelijke én islamitische scholen.
Toch laait het debat op zodra de groei sterk wordt en de vraag ontstaat: helpt dit kinderen juist om volwaardig mee te doen in de samenleving, of wordt de afstand tot ‘de rest’ eerder groter? Dat spanningsveld zit er al lang.
Naast formele scholen groeit ook het informele onderwijs
Wat de discussie verder aanwakkert, is de parallelle toename van informele lessen: avondscholen en weekendscholen die vaak draaien rond religieuze vorming. Dat gebeurt soms aanvullend op regulier onderwijs, soms als stevig alternatief.
Het belangrijkste verschil: dit informele onderwijs valt grotendeels buiten het directe zicht van de Onderwijsinspectie. Daardoor is het lastiger om goed te beoordelen wat er precies wordt geleerd, welke materialen worden gebruikt en wie er lesgeeft.
De terugkerende vraag: integratie of verzuiling 2.0?
Wanneer een onderwijsnetwerk groter wordt, ontstaat al snel iets wat lijkt op een nieuwe ‘zuil’: scholen, verenigingen en informele instituten die vooral binnen de eigen gemeenschap bewegen. Nederland kent die traditie uit het verleden, maar dacht die juist af te bouwen.
De kern van de zorg is niet dat kinderen iets over hun geloof leren, maar dat onderwijs ook een sociale wereld bouwt. Als die wereld vooral intern gericht is, kan dat op termijn de gezamenlijke basis in buurten en steden onder druk zetten.
Overheidsgeld en artikel 23: een gevoelig fundament
De groei wordt extra scherp gevoeld omdat bekostigde scholen publiek geld ontvangen. Dat is direct verbonden met artikel 23 van de Grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd. Wie aan de regels voldoet, kan aanspraak maken op financiering.
Critici vragen zich af of dat systeem nog past bij een steeds diversere samenleving. Voorstanders wijzen erop dat gelijke behandeling juist betekent dat islamitische scholen dezelfde kansen horen te krijgen als andere bijzondere scholen.
De rol van invloed van buitenaf
Een ander punt dat steeds terugkomt, is de vraag naar buitenlandse beïnvloeding. Bij religieuze instellingen kunnen geldstromen, lesmaterialen of ideologische invloeden uit het buitenland een rol spelen, al verschilt dat sterk per organisatie en regio.
Juist omdat onderwijs zo vormend is, willen veel mensen meer transparantie: wie bestuurt de scholen, welke netwerken zitten erachter en hoe wordt ervoor gezorgd dat de lessen aansluiten bij democratische waarden en de wet?
Wat betekent dit voor ouders, leerlingen en gemeenten?
Voor ouders speelt vaak iets heel concreets: een school dichtbij, met een veilige sfeer en herkenbare waarden. In wijken waar de vraag groot is, kunnen nieuwe scholen bovendien druk op bestaande scholen verminderen.
Gemeenten en schoolbesturen kijken ondertussen ook naar de lange termijn. Meer scholen betekent meer keuze, maar kan ook leiden tot verdere scheiding tussen groepen kinderen die elkaar later overal in de samenleving weer moeten vinden.
De komende jaren: meer aanvragen, meer debat
Alles wijst erop dat de groei van islamitisch onderwijs niet snel afvlakt. Als leerlingaantallen blijven stijgen en nieuwe initiatieven doorzetten, zal de discussie over toezicht, kwaliteit, financiering en maatschappelijke samenhang alleen maar intensiever worden.
De uitdaging wordt om het gesprek niet te laten ontsporen in karikaturen. Het gaat uiteindelijk om kinderen, kansen en een samenleving die zichzelf bij elkaar wil houden. Wat vind jij: moet er strenger toezicht komen of juist meer ruimte?
Laat je mening horen op onze sociale media en praat mee.
Bron: nieuwrechts.nl












